2 Korintiërs 11:26
“Op reizen dikwijls, in gevaren van wateren, in gevaren van rovers, in gevaren van mijn eigen volk, in gevaren van de heidenen, in gevaren in de stad, in gevaren in de woestijn, in gevaren op zee, in gevaren onder valse broeders.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Korintiërs 11 — omringende verzen
Ik spreek dit tot mijn schande, alsof wij zwak geweest waren. Maar waarover iemand ook stoutmoedig is — ik spreek in dwaasheid — ik ben het ook.
22Zijn zij Hebreeën? Ik ook. Zijn zij Israëlieten? Ik ook. Zijn zij het zaad van Abraham? Ik ook.
23Zijn zij dienaren van Christus? — ik spreek als een dwaas — ik ben het meer; in arbeid overvloediger, in slagen bovenmate, in gevangenissen talrijker, in doodsgevaren dikwijls.
24Van de Joden heb ik vijfmaal veertig slagen min één ontvangen.
25Driemaal ben ik met roeden geslagen, eenmaal ben ik gestenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, een nacht en een dag heb ik in de diepte doorgebracht.
Op reizen dikwijls, in gevaren van wateren, in gevaren van rovers, in gevaren van mijn eigen volk, in gevaren van de heidenen, in gevaren in de stad, in gevaren in de woestijn, in gevaren op zee, in gevaren onder valse broeders.
In vermoeidheid en moeite, in waken dikwijls, in honger en dorst, in vasten dikwijls, in koude en naaktheid.
28Behalve de dingen die van buiten komen, is er de dagelijkse zorg die op mij drukt: de bekommernis om alle gemeenten.
29Wie is er zwak, en ik ben niet zwak? Wie wordt er geërgerd, en ik brand niet?
30Als ik moet roemen, zal ik roemen over de dingen die mijn zwakheden betreffen.
31De God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die gezegend is tot in eeuwigheid, weet dat ik niet lieg.