2 Korintiërs 11:29
“Wie is er zwak, en ik ben niet zwak? Wie wordt er geërgerd, en ik brand niet?”
Kruisverwijzingen
Context
2 Korintiërs 11 — omringende verzen
Van de Joden heb ik vijfmaal veertig slagen min één ontvangen.
25Driemaal ben ik met roeden geslagen, eenmaal ben ik gestenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, een nacht en een dag heb ik in de diepte doorgebracht.
26Op reizen dikwijls, in gevaren van wateren, in gevaren van rovers, in gevaren van mijn eigen volk, in gevaren van de heidenen, in gevaren in de stad, in gevaren in de woestijn, in gevaren op zee, in gevaren onder valse broeders.
27In vermoeidheid en moeite, in waken dikwijls, in honger en dorst, in vasten dikwijls, in koude en naaktheid.
28Behalve de dingen die van buiten komen, is er de dagelijkse zorg die op mij drukt: de bekommernis om alle gemeenten.
Wie is er zwak, en ik ben niet zwak? Wie wordt er geërgerd, en ik brand niet?
Als ik moet roemen, zal ik roemen over de dingen die mijn zwakheden betreffen.
31De God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die gezegend is tot in eeuwigheid, weet dat ik niet lieg.
32In Damascus hield de stadhouder onder koning Aretas de stad van de Damascenen met een bezetting, en hij wilde mij grijpen.
33En door een venster in een mand werd ik langs de muur neergelaten, en ontkwam aan zijn handen.