2 Korintiërs 11:31
“De God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die gezegend is tot in eeuwigheid, weet dat ik niet lieg.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Korintiërs 11 — omringende verzen
Op reizen dikwijls, in gevaren van wateren, in gevaren van rovers, in gevaren van mijn eigen volk, in gevaren van de heidenen, in gevaren in de stad, in gevaren in de woestijn, in gevaren op zee, in gevaren onder valse broeders.
27In vermoeidheid en moeite, in waken dikwijls, in honger en dorst, in vasten dikwijls, in koude en naaktheid.
28Behalve de dingen die van buiten komen, is er de dagelijkse zorg die op mij drukt: de bekommernis om alle gemeenten.
29Wie is er zwak, en ik ben niet zwak? Wie wordt er geërgerd, en ik brand niet?
30Als ik moet roemen, zal ik roemen over de dingen die mijn zwakheden betreffen.
De God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die gezegend is tot in eeuwigheid, weet dat ik niet lieg.
In Damascus hield de stadhouder onder koning Aretas de stad van de Damascenen met een bezetting, en hij wilde mij grijpen.
33En door een venster in een mand werd ik langs de muur neergelaten, en ontkwam aan zijn handen.