Terug naar 2 Kronieken 30
VSV
Statenvertaling

2 Kronieken 30:11

Nochtans verootmoedigden zich sommigen uit Aser en Manasse en Zebulon, en kwamen naar Jeruzalem.

Kruisverwijzingen

Context

2 Kronieken 30 — omringende verzen

6

Zo gingen de koeriers met de brieven van de koning en zijn vorsten door gans Israël en Juda, en naar het gebod des konings, zeggende: Gij kinderen Israëls, bekeert u tot de HEER, de God van Abraham, Izak en Israël, en Hij zal wederkeren tot het overblijfsel van u, dat ontkomen is uit de hand der koningen van Assyrië.

7

En weest niet gelijk uw vaderen en gelijk uw broederen, die gezondigd hebben tegen de HEER, de God hunner vaderen, die hen daarom heeft overgegeven tot een verwoesting, gelijk gij ziet.

8

Weest nu niet hardnekkig, gelijk uw vaderen waren, maar geeft u over aan de HEER, en komt tot zijn heiligdom, dat Hij voor eeuwig geheiligd heeft; en dient de HEER uw God, opdat de hevigheid van zijn toorn van u afgewend worde.

9

Want indien gij u bekeert tot de HEER, zullen uw broederen en uw kinderen barmhartigheid vinden voor hen die hen gevangen houden, zodat zij wederkeren zullen in dit land; want de HEER uw God is genadig en barmhartig, en zal zijn aangezicht niet van u afwenden, indien gij tot Hem wederkeert.

10

Zo gingen de koeriers van stad tot stad door het land van Efraïm en Manasse, tot Zebulon toe; maar zij belachten hen en bespotten hen.

11

Nochtans verootmoedigden zich sommigen uit Aser en Manasse en Zebulon, en kwamen naar Jeruzalem.

12

Ook was in Juda de hand Gods om hun één hart te geven om het gebod des konings en der vorsten te doen, naar het woord van de HEER.

13

En er verzamelde zich te Jeruzalem veel volk om het feest der ongezuurde broden in de tweede maand te houden, een zeer grote gemeente.

14

En zij stonden op en namen de altaren weg die in Jeruzalem waren, en al de wierookaltaren namen zij weg en wierpen ze in de beek Kidron.

15

Toen slachtten zij het Pascha op de veertiende dag van de tweede maand; en de priesters en de Levieten werden beschaamd, en heiligden zich, en brachten de brandoffers in het huis van de HEER.

16

En zij stonden op hun plaats naar hun wijze, naar de wet van Mozes, de man Gods; de priesters sprenkelden het bloed, dat zij uit de hand der Levieten ontvingen.