Terug naar 2 Kronieken 30
VSV
Statenvertaling

2 Kronieken 30:7

En weest niet gelijk uw vaderen en gelijk uw broederen, die gezondigd hebben tegen de HEER, de God hunner vaderen, die hen daarom heeft overgegeven tot een verwoesting, gelijk gij ziet.

Kruisverwijzingen

Context

2 Kronieken 30 — omringende verzen

2

Want de koning had beraadslaagd, en zijn vorsten en de gehele gemeente te Jeruzalem, om het Pascha in de tweede maand te houden.

3

Want zij hadden het niet op die tijd kunnen houden, omdat de priesters zich niet voldoende geheiligd hadden, en het volk zich niet te Jeruzalem vergaderd had.

4

En de zaak behaagde de koning en de gehele gemeente.

5

Zo stelden zij een besluit vast om een uitroeping te doen door gans Israël, van Berseba tot Dan toe, dat zij zouden komen om het Pascha te houden voor de HEER, de God van Israël, te Jeruzalem; want zij hadden het lange tijd niet gehouden zoals het geschreven stond.

6

Zo gingen de koeriers met de brieven van de koning en zijn vorsten door gans Israël en Juda, en naar het gebod des konings, zeggende: Gij kinderen Israëls, bekeert u tot de HEER, de God van Abraham, Izak en Israël, en Hij zal wederkeren tot het overblijfsel van u, dat ontkomen is uit de hand der koningen van Assyrië.

7

En weest niet gelijk uw vaderen en gelijk uw broederen, die gezondigd hebben tegen de HEER, de God hunner vaderen, die hen daarom heeft overgegeven tot een verwoesting, gelijk gij ziet.

8

Weest nu niet hardnekkig, gelijk uw vaderen waren, maar geeft u over aan de HEER, en komt tot zijn heiligdom, dat Hij voor eeuwig geheiligd heeft; en dient de HEER uw God, opdat de hevigheid van zijn toorn van u afgewend worde.

9

Want indien gij u bekeert tot de HEER, zullen uw broederen en uw kinderen barmhartigheid vinden voor hen die hen gevangen houden, zodat zij wederkeren zullen in dit land; want de HEER uw God is genadig en barmhartig, en zal zijn aangezicht niet van u afwenden, indien gij tot Hem wederkeert.

10

Zo gingen de koeriers van stad tot stad door het land van Efraïm en Manasse, tot Zebulon toe; maar zij belachten hen en bespotten hen.

11

Nochtans verootmoedigden zich sommigen uit Aser en Manasse en Zebulon, en kwamen naar Jeruzalem.

12

Ook was in Juda de hand Gods om hun één hart te geven om het gebod des konings en der vorsten te doen, naar het woord van de HEER.