2 Kronieken 30:6
“Zo gingen de koeriers met de brieven van de koning en zijn vorsten door gans Israël en Juda, en naar het gebod des konings, zeggende: Gij kinderen Israëls, bekeert u tot de HEER, de God van Abraham, Izak en Israël, en Hij zal wederkeren tot het overblijfsel van u, dat ontkomen is uit de hand der koningen van Assyrië.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Kronieken 30 — omringende verzen
En Hiskia zond tot gans Israël en Juda, en schreef ook brieven aan Efraïm en Manasse, dat zij zouden komen naar het huis van de HEER te Jeruzalem, om het Pascha te houden voor de HEER, de God van Israël.
2Want de koning had beraadslaagd, en zijn vorsten en de gehele gemeente te Jeruzalem, om het Pascha in de tweede maand te houden.
3Want zij hadden het niet op die tijd kunnen houden, omdat de priesters zich niet voldoende geheiligd hadden, en het volk zich niet te Jeruzalem vergaderd had.
4En de zaak behaagde de koning en de gehele gemeente.
5Zo stelden zij een besluit vast om een uitroeping te doen door gans Israël, van Berseba tot Dan toe, dat zij zouden komen om het Pascha te houden voor de HEER, de God van Israël, te Jeruzalem; want zij hadden het lange tijd niet gehouden zoals het geschreven stond.
Zo gingen de koeriers met de brieven van de koning en zijn vorsten door gans Israël en Juda, en naar het gebod des konings, zeggende: Gij kinderen Israëls, bekeert u tot de HEER, de God van Abraham, Izak en Israël, en Hij zal wederkeren tot het overblijfsel van u, dat ontkomen is uit de hand der koningen van Assyrië.
En weest niet gelijk uw vaderen en gelijk uw broederen, die gezondigd hebben tegen de HEER, de God hunner vaderen, die hen daarom heeft overgegeven tot een verwoesting, gelijk gij ziet.
8Weest nu niet hardnekkig, gelijk uw vaderen waren, maar geeft u over aan de HEER, en komt tot zijn heiligdom, dat Hij voor eeuwig geheiligd heeft; en dient de HEER uw God, opdat de hevigheid van zijn toorn van u afgewend worde.
9Want indien gij u bekeert tot de HEER, zullen uw broederen en uw kinderen barmhartigheid vinden voor hen die hen gevangen houden, zodat zij wederkeren zullen in dit land; want de HEER uw God is genadig en barmhartig, en zal zijn aangezicht niet van u afwenden, indien gij tot Hem wederkeert.
10Zo gingen de koeriers van stad tot stad door het land van Efraïm en Manasse, tot Zebulon toe; maar zij belachten hen en bespotten hen.
11Nochtans verootmoedigden zich sommigen uit Aser en Manasse en Zebulon, en kwamen naar Jeruzalem.