Deuteronomium 30:11
“Want dit gebod dat ik u heden gebied, is niet te wonderlijk voor u, noch is het ver van u.”
Kruisverwijzingen
Context
Deuteronomium 30 — omringende verzen
En de HEER uw God zal uw hart besnijden en het hart van uw nakomelingen, om de HEER uw God lief te hebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel, opdat gij leeft.
7En de HEER uw God zal al deze vervloekingen leggen op uw vijanden en op hen die u haten, die u vervolgd hebben.
8En gij zult u bekeren en de stem des HEREN gehoorzamen en al Zijn geboden doen die ik u heden gebied.
9En de HEER uw God zal u overvloedig zegenen in al het werk uwer handen, in de vrucht uws lichaams en in de vrucht uws vees en in de vrucht uws lands, ten goede; want de HEER zal weder over u Zich verheugen ten goede, zoals Hij Zich verheugde over uw vaderen;
10Indien gij de stem van de HEER uw God hoort, om Zijn geboden en Zijn inzettingen te onderhouden die in dit wetboek geschreven zijn, en indien gij u bekeert tot de HEER uw God met geheel uw hart en met geheel uw ziel.
Want dit gebod dat ik u heden gebied, is niet te wonderlijk voor u, noch is het ver van u.
Het is niet in de hemel, dat gij zoudt zeggen: Wie zal voor ons ten hemel opvaren en het ons brengen, dat wij het horen en doen?
13Noch is het overzee, dat gij zoudt zeggen: Wie zal voor ons de zee oversteken en het ons brengen, dat wij het horen en doen?
14Maar het Woord is zeer nabij u, in uw mond en in uw hart, om het te doen.
15Zie, ik heb u heden voorgesteld het leven en het goede, en de dood en het kwade;
16Doordat ik u heden gebied de HEER uw God lief te hebben, in Zijn wegen te wandelen en Zijn geboden, Zijn inzettingen en Zijn rechten te onderhouden, opdat gij leeft en vermenigvuldigt; en de HEER uw God zal u zegenen in het land waarheen gij gaat om het in bezit te nemen.