Terug naar Deuteronomium 30
VSV
Statenvertaling

Deuteronomium 30:13

Noch is het overzee, dat gij zoudt zeggen: Wie zal voor ons de zee oversteken en het ons brengen, dat wij het horen en doen?

Kruisverwijzingen

Context

Deuteronomium 30 — omringende verzen

8

En gij zult u bekeren en de stem des HEREN gehoorzamen en al Zijn geboden doen die ik u heden gebied.

9

En de HEER uw God zal u overvloedig zegenen in al het werk uwer handen, in de vrucht uws lichaams en in de vrucht uws vees en in de vrucht uws lands, ten goede; want de HEER zal weder over u Zich verheugen ten goede, zoals Hij Zich verheugde over uw vaderen;

10

Indien gij de stem van de HEER uw God hoort, om Zijn geboden en Zijn inzettingen te onderhouden die in dit wetboek geschreven zijn, en indien gij u bekeert tot de HEER uw God met geheel uw hart en met geheel uw ziel.

11

Want dit gebod dat ik u heden gebied, is niet te wonderlijk voor u, noch is het ver van u.

12

Het is niet in de hemel, dat gij zoudt zeggen: Wie zal voor ons ten hemel opvaren en het ons brengen, dat wij het horen en doen?

13

Noch is het overzee, dat gij zoudt zeggen: Wie zal voor ons de zee oversteken en het ons brengen, dat wij het horen en doen?

14

Maar het Woord is zeer nabij u, in uw mond en in uw hart, om het te doen.

15

Zie, ik heb u heden voorgesteld het leven en het goede, en de dood en het kwade;

16

Doordat ik u heden gebied de HEER uw God lief te hebben, in Zijn wegen te wandelen en Zijn geboden, Zijn inzettingen en Zijn rechten te onderhouden, opdat gij leeft en vermenigvuldigt; en de HEER uw God zal u zegenen in het land waarheen gij gaat om het in bezit te nemen.

17

Maar indien uw hart zich afkeert, zodat gij niet horen wilt, maar verleid wordt en andere goden aanbidt en hen dient;

18

Zo verkondig ik u heden, dat gij zekerlijk zult vergaan en dat gij uw dagen niet zult verlengen in het land waarheen gij over de Jordaan trekt om het in bezit te nemen.