Deuteronomium 30:9
“En de HEER uw God zal u overvloedig zegenen in al het werk uwer handen, in de vrucht uws lichaams en in de vrucht uws vees en in de vrucht uws lands, ten goede; want de HEER zal weder over u Zich verheugen ten goede, zoals Hij Zich verheugde over uw vaderen;”
Kruisverwijzingen
Context
Deuteronomium 30 — omringende verzen
Al waren van de uwen ook verdreven naar de verste einden des hemels, van daar zal de HEER uw God u vergaderen en van daar zal Hij u ophalen;
5En de HEER uw God zal u brengen in het land dat uw vaderen in bezit hadden, en gij zult het bezitten; en Hij zal u goed doen en u talrijker maken dan uw vaderen.
6En de HEER uw God zal uw hart besnijden en het hart van uw nakomelingen, om de HEER uw God lief te hebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel, opdat gij leeft.
7En de HEER uw God zal al deze vervloekingen leggen op uw vijanden en op hen die u haten, die u vervolgd hebben.
8En gij zult u bekeren en de stem des HEREN gehoorzamen en al Zijn geboden doen die ik u heden gebied.
En de HEER uw God zal u overvloedig zegenen in al het werk uwer handen, in de vrucht uws lichaams en in de vrucht uws vees en in de vrucht uws lands, ten goede; want de HEER zal weder over u Zich verheugen ten goede, zoals Hij Zich verheugde over uw vaderen;
Indien gij de stem van de HEER uw God hoort, om Zijn geboden en Zijn inzettingen te onderhouden die in dit wetboek geschreven zijn, en indien gij u bekeert tot de HEER uw God met geheel uw hart en met geheel uw ziel.
11Want dit gebod dat ik u heden gebied, is niet te wonderlijk voor u, noch is het ver van u.
12Het is niet in de hemel, dat gij zoudt zeggen: Wie zal voor ons ten hemel opvaren en het ons brengen, dat wij het horen en doen?
13Noch is het overzee, dat gij zoudt zeggen: Wie zal voor ons de zee oversteken en het ons brengen, dat wij het horen en doen?
14Maar het Woord is zeer nabij u, in uw mond en in uw hart, om het te doen.