Deuteronomium 31:13
“En opdat hun kinderen, die het niet geweten hebben, het horen en leren de HEER, uw God, te vrezen, al de dagen dat gij leeft in het land waarheen gij over de Jordaan trekt om het in bezit te nemen.”
Kruisverwijzingen
Context
Deuteronomium 31 — omringende verzen
En de HEER, Hij is het Die voor u uit gaat; Hij zal met u zijn, Hij zal u niet begeven en u niet verlaten; vrees niet en wees niet versaagd.
9En Mozes schreef deze wet op en gaf haar aan de priesters, de zonen van Levi, die de ark van het verbond des HEREN droegen, en aan al de oudsten van Israël.
10En Mozes gebood hun en zei: Aan het einde van elk zevende jaar, op de vastgestelde tijd van het jaar van kwijtschelding, op het Loofhuttenfeest,
11wanneer geheel Israël komt om te verschijnen voor het aangezicht van de HEER, uw God, op de plaats die Hij verkiezen zal, zult gij deze wet voorlezen voor geheel Israël, voor hun oren.
12Verzamel het volk, de mannen en de vrouwen en de kinderen, en uw vreemdeling die binnen uw poorten is, opdat zij horen en opdat zij leren de HEER, uw God, te vrezen, en in acht nemen te doen al de woorden van deze wet.
En opdat hun kinderen, die het niet geweten hebben, het horen en leren de HEER, uw God, te vrezen, al de dagen dat gij leeft in het land waarheen gij over de Jordaan trekt om het in bezit te nemen.
En de HEER zei tot Mozes: Zie, uw dagen naderen dat gij sterven moet; roep Jozua en stel u beiden in de tent der samenkomst, opdat Ik hem bevelen geve. En Mozes en Jozua gingen heen en stelden zich in de tent der samenkomst.
15En de HEER verscheen in de tent in een wolkkolom, en de wolkkolom stond boven de deur van de tent.
16En de HEER zei tot Mozes: Zie, gij zult rusten bij uw vaderen, en dit volk zal opstaan en hoereren achter de goden van de vreemdelingen des lands, waarheen het gaat om in hun midden te zijn, en het zal Mij verlaten en Mijn verbond verbreken dat Ik met hen gesloten heb.
17Dan zal Mijn toorn tegen hen ontbranden te dien dage, en Ik zal hen verlaten en Mijn aangezicht voor hen verbergen, en zij zullen tot spijze zijn, en vele kwade dingen en benauwdheden zullen hen overkomen, zodat zij te dien dage zullen zeggen: Zijn deze kwade dingen ons niet overkomen omdat onze God niet in ons midden is?
18En Ik zal Mijn aangezicht te dien dage zeker verbergen vanwege al het kwaad dat zij gedaan zullen hebben, omdat zij zich tot andere goden gewend hebben.