Terug naar Deuteronomium 4
VSV
Statenvertaling

Deuteronomium 4:23

Neemt u in acht, opdat u het verbond van de HEER uw God niet vergeet, dat Hij met u gemaakt heeft, en opdat u u geen gesneden beeld zou maken, de gelijkenis van iets waarvan de HEER uw God u verboden heeft.

Kruisverwijzingen

Context

Deuteronomium 4 — omringende verzen

18

De gelijkenis van iets dat over de grond kruipt, de gelijkenis van enige vis die in de wateren onder de aarde is;

19

En opdat u uw ogen niet zou opheffen naar de hemel, en wanneer u de zon en de maan en de sterren ziet, ja het gehele heer des hemels, u niet zou worden meegesleurd om die te aanbidden en hen te dienen, welke de HEER uw God aan alle volken onder de ganse hemel heeft toebedeeld.

20

Maar u heeft de HEER genomen en u uit de ijzeren smeltoven, uit Egypte, geleid, om Hem een erfvolk te zijn, zoals het heden ten dage is.

21

Bovendien was de HEER om uwentwil toornig op mij, en Hij zwoer dat ik de Jordaan niet zou overgaan en dat ik dat goede land niet zou binnengaan, dat de HEER uw God u als erfenis geeft;

22

Maar ik moet sterven in dit land, ik mag de Jordaan niet overgaan; maar u zult overtrekken en dat goede land bezitten.

23

Neemt u in acht, opdat u het verbond van de HEER uw God niet vergeet, dat Hij met u gemaakt heeft, en opdat u u geen gesneden beeld zou maken, de gelijkenis van iets waarvan de HEER uw God u verboden heeft.

24

Want de HEER uw God is een verterend vuur, een na-ijverig God.

25

Wanneer u kinderen en kindskinderen verwekt hebt, en u lange tijd in het land gewoond hebt, en u uzelf zou verderven en een gesneden beeld zou maken, de gelijkenis van iets, en zou doen wat kwaad is in de ogen van de HEER uw God, om Hem tot toorn te verwekken;

26

Ik roep heden de hemel en de aarde als getuigen tegen u, dat u weldra volkomen zult omkomen uit het land waarheen u de Jordaan overtrekt om het te bezitten; u zult uw dagen daarin niet verlengen, maar volkomen worden uitgeroeid.

27

En de HEER zal u verstrooien onder de volken, en u zult met weinigen overblijven onder de heidenen, naar dewelke de HEER u zal voeren.

28

En daar zult u goden dienen, het werk van mensenhanden, hout en steen, die niet zien, noch horen, noch eten, noch ruiken.