Deuteronomium 9:17
“En ik greep de twee tafelen en wierp ze uit mijn beide handen en verbrak ze voor uw ogen.”
Kruisverwijzingen
Context
Deuteronomium 9 — omringende verzen
En de HEER zei tot mij: Sta op, daal haastig van hier af, want uw volk dat gij uit Egypte hebt uitgeleid, heeft zichzelf verdorven; zij zijn snel afgeweken van de weg die Ik hun geboden had; zij hebben zichzelf een gegoten beeld gemaakt.
13Verder sprak de HEER tot mij: Ik zie dat dit volk een hardnekkig volk is;
14Laat Mij begaan, dat Ik hen verdelg en hun naam van onder de hemel uitwisse; en Ik zal van u een volk maken dat machtiger en groter is dan zij.
15Toen keerde ik mij om en daalde van de berg af, en de berg stond in brand; de twee tafelen van het verbond waren in mijn beide handen.
16En ik zag, en zie, gij had gezondigd tegen de HEER uw God; gij had u een gegoten kalf gemaakt; gij waart snel afgeweken van de weg die de HEER u geboden had.
En ik greep de twee tafelen en wierp ze uit mijn beide handen en verbrak ze voor uw ogen.
En ik wierp mij neer voor de HEER, zoals de eerste maal, veertig dagen en veertig nachten; ik at geen brood en dronk geen water, vanwege al uw zonden die gij gezondigd hadt, door kwaad te doen in de ogen van de HEER, zodat gij Hem tot toorn verwekte.
19Want ik vreesde voor de toorn en de brandende gramschap waarmee de HEER tegen u vertoornd was om u te verdelgen. Maar de HEER verhoorde mij ook ditmaal.
20En de HEER was zeer toornig op Aäron om hem te verdelgen; en ik bad ook voor Aäron te dier tijd.
21En ik nam uw zonde, het kalf dat gij gemaakt had, en verbrandde het met vuur en stampte het fijn en maalde het zeer klein, totdat het zo fijn was als stof; en ik wierp het stof ervan in de beek die van de berg afkwam.
22En te Tabera, en te Massa, en te Kibrot-Hattaäva hebt gij de HEER tot toorn verwekt.