Deuteronomium 9:19
“Want ik vreesde voor de toorn en de brandende gramschap waarmee de HEER tegen u vertoornd was om u te verdelgen. Maar de HEER verhoorde mij ook ditmaal.”
Kruisverwijzingen
Context
Deuteronomium 9 — omringende verzen
Laat Mij begaan, dat Ik hen verdelg en hun naam van onder de hemel uitwisse; en Ik zal van u een volk maken dat machtiger en groter is dan zij.
15Toen keerde ik mij om en daalde van de berg af, en de berg stond in brand; de twee tafelen van het verbond waren in mijn beide handen.
16En ik zag, en zie, gij had gezondigd tegen de HEER uw God; gij had u een gegoten kalf gemaakt; gij waart snel afgeweken van de weg die de HEER u geboden had.
17En ik greep de twee tafelen en wierp ze uit mijn beide handen en verbrak ze voor uw ogen.
18En ik wierp mij neer voor de HEER, zoals de eerste maal, veertig dagen en veertig nachten; ik at geen brood en dronk geen water, vanwege al uw zonden die gij gezondigd hadt, door kwaad te doen in de ogen van de HEER, zodat gij Hem tot toorn verwekte.
Want ik vreesde voor de toorn en de brandende gramschap waarmee de HEER tegen u vertoornd was om u te verdelgen. Maar de HEER verhoorde mij ook ditmaal.
En de HEER was zeer toornig op Aäron om hem te verdelgen; en ik bad ook voor Aäron te dier tijd.
21En ik nam uw zonde, het kalf dat gij gemaakt had, en verbrandde het met vuur en stampte het fijn en maalde het zeer klein, totdat het zo fijn was als stof; en ik wierp het stof ervan in de beek die van de berg afkwam.
22En te Tabera, en te Massa, en te Kibrot-Hattaäva hebt gij de HEER tot toorn verwekt.
23Evenzo, toen de HEER u vanuit Kades-Barnea uitzond met de woorden: Trek op en neem het land in dat Ik u gegeven heb, toen zijt gij weerspannig geweest tegen het gebod van de HEER uw God en hebt gij Hem niet geloofd en Zijn stem niet gehoorzaamd.
24Gij zijt weerspannig geweest tegen de HEER van de dag af dat ik u kende.