Deuteronomium 9:22
“En te Tabera, en te Massa, en te Kibrot-Hattaäva hebt gij de HEER tot toorn verwekt.”
Kruisverwijzingen
Context
Deuteronomium 9 — omringende verzen
En ik greep de twee tafelen en wierp ze uit mijn beide handen en verbrak ze voor uw ogen.
18En ik wierp mij neer voor de HEER, zoals de eerste maal, veertig dagen en veertig nachten; ik at geen brood en dronk geen water, vanwege al uw zonden die gij gezondigd hadt, door kwaad te doen in de ogen van de HEER, zodat gij Hem tot toorn verwekte.
19Want ik vreesde voor de toorn en de brandende gramschap waarmee de HEER tegen u vertoornd was om u te verdelgen. Maar de HEER verhoorde mij ook ditmaal.
20En de HEER was zeer toornig op Aäron om hem te verdelgen; en ik bad ook voor Aäron te dier tijd.
21En ik nam uw zonde, het kalf dat gij gemaakt had, en verbrandde het met vuur en stampte het fijn en maalde het zeer klein, totdat het zo fijn was als stof; en ik wierp het stof ervan in de beek die van de berg afkwam.
En te Tabera, en te Massa, en te Kibrot-Hattaäva hebt gij de HEER tot toorn verwekt.
Evenzo, toen de HEER u vanuit Kades-Barnea uitzond met de woorden: Trek op en neem het land in dat Ik u gegeven heb, toen zijt gij weerspannig geweest tegen het gebod van de HEER uw God en hebt gij Hem niet geloofd en Zijn stem niet gehoorzaamd.
24Gij zijt weerspannig geweest tegen de HEER van de dag af dat ik u kende.
25Zo wierp ik mij neder voor de HEER veertig dagen en veertig nachten, zoals ik de eerste maal neergeworpen had; want de HEER had gezegd dat Hij u zou verdelgen.
26Daarom bad ik tot de HEER en zei: O Heere HEER, verdelg uw volk en uw erfdeel niet, dat Gij door uw grootheid verlost hebt, dat Gij met een sterke hand uit Egypte hebt uitgeleid.
27Gedenk aan uw knechten Abraham, Izak en Jakob; zie niet op de halsstarrigheid van dit volk, noch op hun goddeloosheid, noch op hun zonde;