Esther 2:11
“En Mordechai wandelde iedere dag voor de voorhof van het vrouwenhuis, om te weten hoe het Esther verging en wat er van haar zou worden.”
Kruisverwijzingen
Context
Esther 2 — omringende verzen
die weggevoerd was uit Jeruzalem met de ballingen die weggevoerd waren met Jechonja, de koning van Juda, dien Nebukadnezar, de koning van Babel, had weggevoerd.
7Hij had Hadassa, dat is Esther, de dochter van zijn oom, opgevoed; want zij had noch vader noch moeder, en de jonge vrouw was schoon van gestalte en mooi van aanzien; en toen haar vader en moeder gestorven waren, had Mordechai haar als zijn eigen dochter aangenomen.
8En het geschiedde, toen het gebod des konings en zijn decreet gehoord werd en toen vele maagden werden samengebracht in de burcht Susan, onder de hoede van Hegaï, dat ook Esther naar het huis des konings gebracht werd, onder de hoede van Hegaï, de bewaker der vrouwen.
9En de jonge vrouw behaagde hem en zij vond genade bij hem; en hij spoedde zich om haar het nodige voor haar reiniging te geven, met hetgeen haar toekwam, en zeven meisjes, die haar gegeven moesten worden, uit het huis des konings; en hij bracht haar en haar meisjes naar de beste plaats in het vrouwenhuis.
10Esther had haar volk noch haar maagschap niet bekendgemaakt, want Mordechai had haar geboden dat zij het niet bekendmaken zou.
En Mordechai wandelde iedere dag voor de voorhof van het vrouwenhuis, om te weten hoe het Esther verging en wat er van haar zou worden.
Toen nu de beurt van elke maagd gekomen was om in te gaan tot koning Ahasveros, nadat zij twaalf maanden lang behandeld was, naar de gewoonte der vrouwen — want zo werden de dagen van haar reiniging vervuld: zes maanden met mirre-olie en zes maanden met welriekende kruiden en andere middelen voor de reiniging der vrouwen —
13dan ging elke maagd op deze wijze in tot de koning; alles wat zij verlangde werd haar gegeven om mee te gaan uit het vrouwenhuis naar het huis des konings.
14In de avond ging zij in en in de morgen keerde zij terug naar het tweede vrouwenhuis, onder de hoede van Saäsgaz, des konings kamerheer, die de bijvrouwen bewaakte; zij mocht niet meer tot de koning ingaan, tenzij de koning behagen in haar schiep en zij bij name geroepen werd.
15Toen nu de beurt van Esther, de dochter van Abichaïl, de oom van Mordechai, die haar als zijn dochter aangenomen had, gekomen was om in te gaan tot de koning, begeerde zij niets dan hetgeen Hegai, des konings kamerheer, de bewaker der vrouwen, haar aanbeval. En Esther vond gunst in de ogen van allen die haar zagen.
16En Esther werd in de tiende maand — dat is de maand Tebeth — in het zevende jaar van zijn regering naar koning Ahasveros gebracht in zijn koninklijk huis.