Terug naar Esther 2
VSV
Statenvertaling

Esther 2:16

En Esther werd in de tiende maand — dat is de maand Tebeth — in het zevende jaar van zijn regering naar koning Ahasveros gebracht in zijn koninklijk huis.

Kruisverwijzingen

Context

Esther 2 — omringende verzen

11

En Mordechai wandelde iedere dag voor de voorhof van het vrouwenhuis, om te weten hoe het Esther verging en wat er van haar zou worden.

12

Toen nu de beurt van elke maagd gekomen was om in te gaan tot koning Ahasveros, nadat zij twaalf maanden lang behandeld was, naar de gewoonte der vrouwen — want zo werden de dagen van haar reiniging vervuld: zes maanden met mirre-olie en zes maanden met welriekende kruiden en andere middelen voor de reiniging der vrouwen —

13

dan ging elke maagd op deze wijze in tot de koning; alles wat zij verlangde werd haar gegeven om mee te gaan uit het vrouwenhuis naar het huis des konings.

14

In de avond ging zij in en in de morgen keerde zij terug naar het tweede vrouwenhuis, onder de hoede van Saäsgaz, des konings kamerheer, die de bijvrouwen bewaakte; zij mocht niet meer tot de koning ingaan, tenzij de koning behagen in haar schiep en zij bij name geroepen werd.

15

Toen nu de beurt van Esther, de dochter van Abichaïl, de oom van Mordechai, die haar als zijn dochter aangenomen had, gekomen was om in te gaan tot de koning, begeerde zij niets dan hetgeen Hegai, des konings kamerheer, de bewaker der vrouwen, haar aanbeval. En Esther vond gunst in de ogen van allen die haar zagen.

16

En Esther werd in de tiende maand — dat is de maand Tebeth — in het zevende jaar van zijn regering naar koning Ahasveros gebracht in zijn koninklijk huis.

17

En de koning had Esther lief boven alle vrouwen, en zij vond genade en gunst bij hem meer dan alle maagden, zodat hij de koninklijke kroon op haar hoofd zette en haar koningin maakte in de plaats van Vasthi.

18

Toen richtte de koning een groot feest aan voor al zijn vorsten en zijn dienaren — het feest van Esther — en hij verleende de gewesten vrijstelling en gaf gaven, naar de staat van de koning.

19

En toen de maagden voor de tweede maal samengekomen waren, zat Mordechai in de poort des konings.

20

Esther had haar maagschap noch haar volk nog niet bekendgemaakt, zoals Mordechai haar geboden had; want Esther deed het gebod van Mordechai, zoals toen zij door hem opgevoed werd.

21

In die dagen, terwijl Mordechai in de poort des konings zat, waren twee kamerheren des konings, Bigtan en Teres, uit degenen die de drempel bewaakten, toornig geworden en zochten de hand te slaan aan koning Ahasveros.