Ezechiël 10:11
“Wanneer zij gingen, gingen zij op hun vier zijden; zij keerden zich niet als zij gingen, maar naar de plaats waarheen het hoofd zag, volgden zij; zij keerden zich niet als zij gingen.”
Kruisverwijzingen
Context
Ezechiël 10 — omringende verzen
En het geschiedde, dat toen Hij de man gekleed met linnen geboden had, zeggende: Neem vuur van tussen de wielen, van tussen de cherubs; hij naar binnen ging en naast de wielen stond.
7En een cherub strekte zijn hand uit van tussen de cherubs naar het vuur dat tussen de cherubs was, en nam daarvan en legde het in de handen van hem die gekleed was met linnen; die het aannam en uitging.
8En er verscheen onder de vleugels van de cherubs de gedaante van een mensenhand.
9En toen ik keek, zie, er waren vier wielen naast de cherubs, één wiel naast één cherub en nog een wiel naast een andere cherub; en de gedaante van de wielen was als de kleur van een turkooisteen.
10En wat hun gedaante betreft, zij vieren hadden één gelijkenis, als wanneer een wiel in het midden van een wiel zou zijn.
Wanneer zij gingen, gingen zij op hun vier zijden; zij keerden zich niet als zij gingen, maar naar de plaats waarheen het hoofd zag, volgden zij; zij keerden zich niet als zij gingen.
En hun gehele lichaam, en hun ruggen, en hun handen, en hun vleugels, en de wielen waren rondom vol ogen, ja, de wielen die zij vieren hadden.
13Wat de wielen betreft, in mijn gehoor werd tot hen geroepen: O wiel!
14En elkeen had vier aangezichten: het eerste aangezicht was het aangezicht van een cherub, en het tweede aangezicht was het aangezicht van een mens, en het derde het aangezicht van een leeuw, en het vierde het aangezicht van een arend.
15En de cherubs werden opgeheven. Dit is het levende wezen dat ik zag bij de rivier de Chebar.
16En wanneer de cherubs gingen, gingen de wielen naast hen; en wanneer de cherubs hun vleugels ophieven om van de aarde op te stijgen, draaiden ook de wielen niet van naast hen weg.