Genesis 23:11
“Neen, mijn heer, hoor mij; het veld geef ik u, en de spelonk die daarin is, die geef ik u; ten aanschouwen van de zonen van mijn volk geef ik het u; begraaf uw dode.”
Kruisverwijzingen
Context
Genesis 23 — omringende verzen
Hoor ons, mijn heer; gij zijt een machtig vorst onder ons; begraaf uw dode in de beste van onze grafplaatsen; niemand van ons zal u zijn grafplaats onthouden, opdat gij uw dode kunt begraven.
7En Abraham stond op, en boog zich voor de mensen van dat land, voor de kinderen van Heth.
8En hij sprak met hen, zeggende: Als het uw wil is, dat ik mijn dode begraaf, zodat zij mij niet meer voor ogen is; hoort mij, en bepleit mijn zaak bij Efron, de zoon van Zohar,
9Opdat hij mij de spelonk van Machpela geve, die hij heeft en die aan het einde van zijn veld ligt; voor de volle prijs geve hij mij die tot een eigen begraafplaats onder u.
10En Efron woonde onder de kinderen van Heth; en Efron, de Hethiet, antwoordde Abraham ten aanhoren van de kinderen van Heth, ja van allen die ingingen door de poort van zijn stad, zeggende:
Neen, mijn heer, hoor mij; het veld geef ik u, en de spelonk die daarin is, die geef ik u; ten aanschouwen van de zonen van mijn volk geef ik het u; begraaf uw dode.
En Abraham boog zich neder voor de mensen van dat land.
13En hij sprak tot Efron ten aanhoren van de mensen van dat land, zeggende: Als gij het wilt geven, hoor mij dan toch: ik zal het geld voor het veld geven; neem het van mij, en ik zal mijn dode daar begraven.
14En Efron antwoordde Abraham, en zei tot hem:
15Mijn heer, hoor mij: het land is vierhonderd sikkel zilver waard; wat is dat tussen mij en u? Begraaf dan uw dode.
16En Abraham luisterde naar Efron; en Abraham woog aan Efron het zilver af, dat hij genoemd had ten aanhoren van de kinderen van Heth, vierhonderd sikkel zilver, gangbaar geld bij de koopman.