Hebreeën 12:8
“Maar indien gij zonder tuchtiging zijt, waarvan allen deelgenoten geworden zijn, dan zijt gij bastaarden en geen zonen.”
Kruisverwijzingen
Context
Hebreeën 12 — omringende verzen
Want overweegt Hem Die zulk een tegenspraak van de zondaars tegen Zichzelf verdragen heeft, opdat gij niet vermoeid wordt en in uw zielen bezwijkt.
4Gij hebt nog niet tot bloedens toe weerstand geboden in de strijd tegen de zonde.
5En gij hebt de vermaning vergeten, die tot u spreekt als tot zonen: Mijn zoon, veracht de tuchtiging des Heren niet en bezwijk niet wanneer gij door Hem bestraft wordt;
6Want die de Heer liefheeft, die tuchtigt Hij, en Hij geselt iedere zoon die Hij aanneemt.
7Indien gij de tuchtiging verdraagt, dan behandelt God u als zonen; want welke zoon is er die de vader niet tuchtigt?
Maar indien gij zonder tuchtiging zijt, waarvan allen deelgenoten geworden zijn, dan zijt gij bastaarden en geen zonen.
Voorts hebben wij onze vaders naar het vlees gehad die ons tuchtigden, en wij eerbiedden hen; zullen wij dan niet veel meer onderworpen zijn aan de Vader der geesten en leven?
10Want zij hebben ons wel voor een korte tijd naar hun goeddunken getuchtigd, maar Hij tot ons nut, opdat wij aan Zijn heiligheid deel zouden krijgen.
11Alle tuchtiging nu lijkt op het ogenblik niet vreugdevol te zijn, maar droevig; doch later levert zij de vreedzame vrucht van gerechtigheid op bij hen die daardoor geoefend zijn.
12Daarom richt de verslapte handen en de wankele knieën weer op,
13En maakt rechte paden voor uw voeten, opdat het kreupele niet verdraaid worde, maar veeleer genezen.