Hooglied 2:3
“Gelijk een appelboom onder de bomen des wouds, zo is mijn beminde onder de zonen. Ik zat neder onder zijn schaduw met grote vreugde, en zijn vrucht was zoet voor mijn gehemelte.”
Kruisverwijzingen
Context
Hooglied 2 — omringende verzen
Ik ben de roos van Saron, en de lelie der dalen.
2Gelijk een lelie onder de doornen, zo is mijn liefste onder de dochteren.
Gelijk een appelboom onder de bomen des wouds, zo is mijn beminde onder de zonen. Ik zat neder onder zijn schaduw met grote vreugde, en zijn vrucht was zoet voor mijn gehemelte.
Hij bracht mij in het wijnhuis, en zijn banier over mij was liefde.
5Ondersteunt mij met rozijnkoeken, verkwikt mij met appelen; want ik ben ziek van liefde.
6Zijn linkerhand is onder mijn hoofd, en zijn rechterhand omhelst mij.
7Ik bezweer u, o dochters van Jeruzalem, bij de reeën en bij de hinden des velds, dat gij de liefde niet opwekt noch wakker maakt, voordat het haar behaagt.
8De stem van mijn beminde! Zie, hij komt, springende over de bergen, huppelende over de heuvelen.