Terug naar Jeremia 38
VSV
Statenvertaling

Jeremia 38:13

Toen trokken zij Jeremia met de touwen omhoog en haalden hem uit de put. En Jeremia bleef in de voorhof van de gevangenis.

Kruisverwijzingen

Context

Jeremia 38 — omringende verzen

8

ging Ebed-Melech uit het huis des konings en sprak tot de koning, zeggende:

9

Mijn heer de koning, deze mannen hebben kwalijk gehandeld in alles wat zij de profeet Jeremia aangedaan hebben, die zij in de put geworpen hebben; en hij zal van honger sterven op de plaats waar hij is, want er is geen brood meer in de stad.

10

Toen gebood de koning Ebed-Melech, de Moor, zeggende: Neem van hier dertig mannen met u en haal de profeet Jeremia op uit de put, voordat hij sterft.

11

En Ebed-Melech nam de mannen met zich en ging naar het huis des konings, onder de schatkamer, en nam van daar oude versleten lappen en oude verscheurde vodden, en liet ze aan touwen in de put zakken tot Jeremia.

12

En Ebed-Melech, de Moorman, zei tot Jeremia: Leg nu deze oude lappen en versleten vodden onder uw oksels, onder de touwen. En Jeremia deed zo.

13

Toen trokken zij Jeremia met de touwen omhoog en haalden hem uit de put. En Jeremia bleef in de voorhof van de gevangenis.

14

Toen zond koning Zedekia en liet de profeet Jeremia tot zich halen bij de derde ingang die in het huis des HEREN is. En de koning zei tot Jeremia: Ik zal u iets vragen; verberg niets voor mij.

15

Toen zei Jeremia tot Zedekia: Als ik het u openbaar, zult U mij dan niet zeker ter dood brengen? En als ik u raad geef, zult U niet naar mij luisteren.

16

Toen zwoer koning Zedekia Jeremia in het geheim, en zei: Zo waarachtig de HEER leeft, Die ons deze ziel gegeven heeft, ik zal u niet ter dood brengen, noch zal ik u overleveren in de hand van deze mannen die uw leven zoeken.

17

Toen zei Jeremia tot Zedekia: Zo zegt de HEER, de God der heerscharen, de God van Israël: Indien gij u stellig overgeeft aan de vorsten van de koning van Babel, dan zal uw ziel leven en zal deze stad niet met vuur verbrand worden; en gij zult leven, gij en uw huis.

18

Maar indien gij u niet overgeeft aan de vorsten van de koning van Babel, dan zal deze stad gegeven worden in de hand van de Chaldeeën, en zij zullen haar met vuur verbranden; en gij zult niet ontsnappen uit hun hand.