Terug naar Jeremia 38
VSV
Statenvertaling

Jeremia 38:16

Toen zwoer koning Zedekia Jeremia in het geheim, en zei: Zo waarachtig de HEER leeft, Die ons deze ziel gegeven heeft, ik zal u niet ter dood brengen, noch zal ik u overleveren in de hand van deze mannen die uw leven zoeken.

Kruisverwijzingen

Context

Jeremia 38 — omringende verzen

11

En Ebed-Melech nam de mannen met zich en ging naar het huis des konings, onder de schatkamer, en nam van daar oude versleten lappen en oude verscheurde vodden, en liet ze aan touwen in de put zakken tot Jeremia.

12

En Ebed-Melech, de Moorman, zei tot Jeremia: Leg nu deze oude lappen en versleten vodden onder uw oksels, onder de touwen. En Jeremia deed zo.

13

Toen trokken zij Jeremia met de touwen omhoog en haalden hem uit de put. En Jeremia bleef in de voorhof van de gevangenis.

14

Toen zond koning Zedekia en liet de profeet Jeremia tot zich halen bij de derde ingang die in het huis des HEREN is. En de koning zei tot Jeremia: Ik zal u iets vragen; verberg niets voor mij.

15

Toen zei Jeremia tot Zedekia: Als ik het u openbaar, zult U mij dan niet zeker ter dood brengen? En als ik u raad geef, zult U niet naar mij luisteren.

16

Toen zwoer koning Zedekia Jeremia in het geheim, en zei: Zo waarachtig de HEER leeft, Die ons deze ziel gegeven heeft, ik zal u niet ter dood brengen, noch zal ik u overleveren in de hand van deze mannen die uw leven zoeken.

17

Toen zei Jeremia tot Zedekia: Zo zegt de HEER, de God der heerscharen, de God van Israël: Indien gij u stellig overgeeft aan de vorsten van de koning van Babel, dan zal uw ziel leven en zal deze stad niet met vuur verbrand worden; en gij zult leven, gij en uw huis.

18

Maar indien gij u niet overgeeft aan de vorsten van de koning van Babel, dan zal deze stad gegeven worden in de hand van de Chaldeeën, en zij zullen haar met vuur verbranden; en gij zult niet ontsnappen uit hun hand.

19

En koning Zedekia zei tot Jeremia: Ik ben bevreesd voor de Joden die tot de Chaldeeën zijn overgelopen, dat zij mij in hun hand overleveren en zij mij bespotten.

20

Maar Jeremia zei: Zij zullen u niet overleveren. Gehoorzaam toch, ik bid U, aan de stem des HEREN, die ik tot u spreek, zo zal het u welgaan en zal uw ziel leven.

21

Maar indien gij weigert u over te geven, dit is het woord dat de HEER mij getoond heeft: