Job 41:26
“Het zwaard van hem die hem aanvalt, houdt geen stand: de speer, de pijl, noch het pantser.”
Kruisverwijzingen
Context
Job 41 — omringende verzen
Zijn adem ontsteekt kolen, en een vlam gaat uit zijn muil.
22In zijn nek woont kracht, en voor hem springt smart in blijdschap om.
23De plooien van zijn vlees zijn aan elkaar gehecht: zij zijn vast in zichzelf; zij kunnen niet bewogen worden.
24Zijn hart is zo vast als een steen; ja, zo hard als een stuk van de onderste molensteen.
25Wanneer hij zich opheft, worden de machtigen bevreesd: door zijn stampijen ontzetten zij zich.
Het zwaard van hem die hem aanvalt, houdt geen stand: de speer, de pijl, noch het pantser.
Hij acht ijzer als stro, en koper als vermolmd hout.
28De pijl kan hem niet doen vluchten: slingerstenen worden voor hem tot kaf.
29Werpsperen worden als kaf geacht: hij lacht om het schudden van een speer.
30Scherpe stenen liggen onder hem: hij verspreidt scherpe puntige dingen over het slijk.
31Hij doet de diepte koken als een pot: hij maakt de zee als een pot vol zalf.