Job 41:28
“De pijl kan hem niet doen vluchten: slingerstenen worden voor hem tot kaf.”
Kruisverwijzingen
Context
Job 41 — omringende verzen
De plooien van zijn vlees zijn aan elkaar gehecht: zij zijn vast in zichzelf; zij kunnen niet bewogen worden.
24Zijn hart is zo vast als een steen; ja, zo hard als een stuk van de onderste molensteen.
25Wanneer hij zich opheft, worden de machtigen bevreesd: door zijn stampijen ontzetten zij zich.
26Het zwaard van hem die hem aanvalt, houdt geen stand: de speer, de pijl, noch het pantser.
27Hij acht ijzer als stro, en koper als vermolmd hout.
De pijl kan hem niet doen vluchten: slingerstenen worden voor hem tot kaf.
Werpsperen worden als kaf geacht: hij lacht om het schudden van een speer.
30Scherpe stenen liggen onder hem: hij verspreidt scherpe puntige dingen over het slijk.
31Hij doet de diepte koken als een pot: hij maakt de zee als een pot vol zalf.
32Hij laat achter zich een lichtend spoor; men zou denken dat de diepte grijs haar draagt.
33Op de aarde is zijn gelijke niet, die gemaakt is zonder vrees.