Job 6:14
“Aan hem die lijdt behoort mededogen te worden betoond door zijn vriend; maar hij verlaat de vreze des Almachtigen.”
Kruisverwijzingen
Context
Job 6 — omringende verzen
Dat het God believen mocht mij te verpletteren, dat Hij Zijn hand losslaan en mij afsnijden zou!
10Dan zou ik nog troost hebben; ja, ik zou mij verharden in smarten: laat Hem niet sparen; want ik heb de woorden van de Heilige niet verborgen gehouden.
11Wat is mijn kracht, dat ik zou hopen? En wat is mijn einde, dat ik mijn leven verlengen zou?
12Is mijn kracht de kracht van stenen? of is mijn vlees van koper?
13Is er dan geen hulp in mij? en is de wijsheid geheel van mij geweken?
Aan hem die lijdt behoort mededogen te worden betoond door zijn vriend; maar hij verlaat de vreze des Almachtigen.
Mijn broeders hebben trouweloos gehandeld als een beek, en als de stroom van beken zijn zij voorbijgegaan;
16Die zwart zijn van het ijs, en waarin de sneeuw verborgen is:
17Als zij warm worden, verdwijnen zij; wanneer het heet is, worden zij weggeteerd uit hun plaats.
18De paden van hun weg wijken af; zij gaan in het niets en vergaan.
19De karavanen van Tema schouwden uit, de reisgenoten van Sjeba wachtten op hen.