Job 6:18
“De paden van hun weg wijken af; zij gaan in het niets en vergaan.”
Kruisverwijzingen
Context
Job 6 — omringende verzen
Is er dan geen hulp in mij? en is de wijsheid geheel van mij geweken?
14Aan hem die lijdt behoort mededogen te worden betoond door zijn vriend; maar hij verlaat de vreze des Almachtigen.
15Mijn broeders hebben trouweloos gehandeld als een beek, en als de stroom van beken zijn zij voorbijgegaan;
16Die zwart zijn van het ijs, en waarin de sneeuw verborgen is:
17Als zij warm worden, verdwijnen zij; wanneer het heet is, worden zij weggeteerd uit hun plaats.
De paden van hun weg wijken af; zij gaan in het niets en vergaan.
De karavanen van Tema schouwden uit, de reisgenoten van Sjeba wachtten op hen.
20Zij werden beschaamd, want zij hadden gehoopt; zij kwamen daarheen en werden te schande.
21Want nu zijt gij niets; gij ziet mijn val, en wordt bevreesd.
22Heb ik gezegd: Breng mij iets? of: Geef mij een geschenk van uw bezit?
23Of: Verlos mij uit de hand van de vijand? of: Koop mij vrij uit de hand van de machtigen?