Johannes 11:39
“Jezus zeide: Neemt de steen weg. Martha, de zuster van de overledene, zeide tot Hem: Heer, hij riekt al, want hij is vier dagen dood.”
Kruisverwijzingen
Context
Johannes 11 — omringende verzen
En Hij zeide: Waar hebt gij hem gelegd? Zij zeiden tot Hem: Heer, kom en zie.
35Jezus weende.
36Toen zeiden de Joden: Zie, hoe lief Hij hem had!
37En sommigen van hen zeiden: Kon Deze, Die de ogen van de blinde geopend heeft, niet maken dat ook deze niet gestorven was?
38Jezus dan, andermaal innerlijk diep bewogen, kwam bij het graf. Het was een spelonk, en er lag een steen op.
Jezus zeide: Neemt de steen weg. Martha, de zuster van de overledene, zeide tot Hem: Heer, hij riekt al, want hij is vier dagen dood.
Jezus zeide tot haar: Heb Ik u niet gezegd dat, indien u gelooft, u de heerlijkheid van God zien zult?
41Zij namen dan de steen weg van de plaats waar de overledene gelegd was. En Jezus hief Zijn ogen op en zeide: Vader, Ik dank U dat U Mij verhoord hebt.
42En Ik wist dat U Mij altijd verhoort, maar om het volk dat rondom staat, heb Ik dit gezegd, opdat zij geloven dat U Mij gezonden hebt.
43En toen Hij dit gezegd had, riep Hij met luider stem: Lazarus, kom naar buiten!
44En de gestorvene kwam naar buiten, aan handen en voeten gebonden met grafdoeken, en zijn gezicht was omwonden met een zweetdoek. Jezus zeide tot hen: Maakt hem los en laat hem gaan.