Johannes 21:13
“Jezus dan kwam en nam het brood en gaf het hun, en insgelijks de vis.”
Kruisverwijzingen
Context
Johannes 21 — omringende verzen
En de andere discipelen kwamen met het kleine schip; want zij waren niet ver van het land, maar omtrent tweehonderd ellen, en zij sleepten het net met vissen.
9Zodra zij dan aan land kwamen, zagen zij aldaar een kolenvuur liggen, en vis daarop gelegd, en brood.
10Jezus zeide tot hen: Brengt van de vissen die gij nu gevangen hebt.
11Simon Petrus ging op en trok het net aan land, vol grote vissen, honderd drieënvijftig; en hoewel er zovele waren, scheurde het net niet.
12Jezus zeide tot hen: Komt en houdt de maaltijd. En niemand van de discipelen durfde Hem vragen: Wie zijt Gij? wetende dat het de Heer was.
Jezus dan kwam en nam het brood en gaf het hun, en insgelijks de vis.
Dit is nu de derde maal dat Jezus Zich aan Zijn discipelen openbaarde, nadat Hij uit de doden opgewekt was.
15Toen zij dan de maaltijd gehouden hadden, zeide Jezus tot Simon Petrus: Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij lief meer dan dezen? Hij zeide tot Hem: Ja, Heer, Gij weet dat ik U liefheb. Hij zeide tot hem: Weid Mijn lammeren.
16Hij zeide wederom tot hem ten tweeden male: Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij lief? Hij zeide tot Hem: Ja, Heer, Gij weet dat ik U liefheb. Hij zeide tot hem: Weid Mijn schapen.
17Hij zeide tot hem ten derden male: Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij lief? Petrus werd bedroefd, omdat Hij hem ten derden male zeide: Hebt gij Mij lief? En hij zeide tot Hem: Heer, Gij weet alle dingen; Gij weet dat ik U liefheb. Jezus zeide tot hem: Weid Mijn schapen.
18Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Toen gij jong waart, gorddet gij uzelf en wandeldet waarheen gij wildet; maar wanneer gij oud zult geworden zijn, zult gij uw handen uitstrekken, en een ander zal u omgorden en brengen waarheen gij niet wilt.