Johannes 21:16
“Hij zeide wederom tot hem ten tweeden male: Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij lief? Hij zeide tot Hem: Ja, Heer, Gij weet dat ik U liefheb. Hij zeide tot hem: Weid Mijn schapen.”
Kruisverwijzingen
Context
Johannes 21 — omringende verzen
Simon Petrus ging op en trok het net aan land, vol grote vissen, honderd drieënvijftig; en hoewel er zovele waren, scheurde het net niet.
12Jezus zeide tot hen: Komt en houdt de maaltijd. En niemand van de discipelen durfde Hem vragen: Wie zijt Gij? wetende dat het de Heer was.
13Jezus dan kwam en nam het brood en gaf het hun, en insgelijks de vis.
14Dit is nu de derde maal dat Jezus Zich aan Zijn discipelen openbaarde, nadat Hij uit de doden opgewekt was.
15Toen zij dan de maaltijd gehouden hadden, zeide Jezus tot Simon Petrus: Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij lief meer dan dezen? Hij zeide tot Hem: Ja, Heer, Gij weet dat ik U liefheb. Hij zeide tot hem: Weid Mijn lammeren.
Hij zeide wederom tot hem ten tweeden male: Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij lief? Hij zeide tot Hem: Ja, Heer, Gij weet dat ik U liefheb. Hij zeide tot hem: Weid Mijn schapen.
Hij zeide tot hem ten derden male: Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij lief? Petrus werd bedroefd, omdat Hij hem ten derden male zeide: Hebt gij Mij lief? En hij zeide tot Hem: Heer, Gij weet alle dingen; Gij weet dat ik U liefheb. Jezus zeide tot hem: Weid Mijn schapen.
18Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Toen gij jong waart, gorddet gij uzelf en wandeldet waarheen gij wildet; maar wanneer gij oud zult geworden zijn, zult gij uw handen uitstrekken, en een ander zal u omgorden en brengen waarheen gij niet wilt.
19Dit nu zeide Hij, aanduidende met wat voor dood hij God verheerlijken zou. En nadat Hij dit gesproken had, zeide Hij tot hem: Volg Mij.
20En Petrus, zich omkerend, zag de discipel volgen dien Jezus liefhad, die ook aan Zijn borst aanlag bij het avondmaal en gezegd had: Heer, wie is het die U verraadt?
21Petrus dan, hem ziende, zeide tot Jezus: Heer, maar wat zal deze doen?