Johannes 6:27
“Werkt niet voor het voedsel dat vergaat, maar voor het voedsel dat blijft tot in het eeuwige leven, hetwelk de Zoon des mensen u geven zal; want Hem heeft God de Vader verzegeld.”
Kruisverwijzingen
Context
Johannes 6 — omringende verzen
De volgende dag, toen het volk dat aan de overkant van de zee stond, zag dat er geen ander schip was dan dat ene waarin Zijn discipelen ingestapt waren, en dat Jezus niet met Zijn discipelen in het schip gegaan was, maar dat Zijn discipelen alleen vertrokken waren;
23(Maar er kwamen andere scheepjes van Tiberias, dicht bij de plaats waar zij het brood gegeten hadden, nadat de Heer gedankt had:)
24Toen het volk dan zag dat Jezus daar niet was, noch Zijn discipelen, gingen ook zij in de scheepjes en kwamen naar Kapernaüm, om Jezus te zoeken.
25En toen zij Hem gevonden hadden aan de overkant van de zee, zeiden zij tot Hem: Rabbi, wanneer zijt U hier gekomen?
26Jezus antwoordde hun en zei: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Gij zoekt Mij, niet omdat gij de wonderen gezien hebt, maar omdat gij van de broden gegeten hebt en verzadigd zijt.
Werkt niet voor het voedsel dat vergaat, maar voor het voedsel dat blijft tot in het eeuwige leven, hetwelk de Zoon des mensen u geven zal; want Hem heeft God de Vader verzegeld.
Toen zeiden zij tot Hem: Wat moeten wij doen, opdat wij de werken Gods mogen werken?
29Jezus antwoordde en zeide tot hen: Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem Die Hij gezonden heeft.
30Zij zeiden dan tot Hem: Welk teken doet U dan, opdat wij het mogen zien en U geloven? Wat werkt U?
31Onze vaderen hebben het manna gegeten in de woestijn; gelijk geschreven is: Hij gaf hun brood uit de hemel te eten.
32Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Mozes heeft u niet dat brood uit de hemel gegeven; maar Mijn Vader geeft u het ware brood uit de hemel.