Terug naar Jozua 10
VSV
Statenvertaling

Jozua 10:30

En de HEER gaf het ook, en de koning daarvan, in de hand van Israël; en hij sloeg het met de scherpte des zwaards, en alle zielen die daarin waren; hij liet niemand daarin overblijven; maar hij deed de koning daarvan gelijk hij de koning van Jericho gedaan had.

Kruisverwijzingen

Context

Jozua 10 — omringende verzen

25

En Jozua zeide tot hen: Vreest niet en weest niet ontsteld; weest sterk en moedig, want zo zal de HEER doen aan al uw vijanden tegen wie u strijdt.

26

En daarna sloeg Jozua hen en doodde hen en hing hen op aan vijf bomen; en zij hingen aan de bomen tot de avond.

27

En het geschiedde ten tijde dat de zon onderging, dat Jozua beval hen van de bomen af te nemen. En zij namen hen af van de bomen en wierpen hen in de grot waar zij zich verborgen hadden, en legden grote stenen voor de ingang van de grot, die er zijn tot op deze dag.

28

En Jozua nam Makkedah op die dag in, en sloeg het met de scherpte des zwaards, en de koning daarvan vernietigde hij volkomen, hen en alle zielen die daarin waren; hij liet niemand overblijven; en hij deed de koning van Makkedah gelijk hij de koning van Jericho gedaan had.

29

Daarna trok Jozua van Makkedah verder, en geheel Israël met hem, naar Libna, en hij streed tegen Libna;

30

En de HEER gaf het ook, en de koning daarvan, in de hand van Israël; en hij sloeg het met de scherpte des zwaards, en alle zielen die daarin waren; hij liet niemand daarin overblijven; maar hij deed de koning daarvan gelijk hij de koning van Jericho gedaan had.

31

En Jozua trok van Libna verder, en geheel Israël met hem, naar Lachis, en hij legerde zich daartegen, en streed daartegen;

32

En de HEER gaf Lachis in de hand van Israël, die het op de tweede dag innam, en het sloeg met de scherpte des zwaards, en alle zielen die daarin waren, overeenkomstig alles wat hij Libna gedaan had.

33

Toen trok Horam, de koning van Gezer, op om Lachis te helpen; maar Jozua sloeg hem en zijn volk, totdat hij hem niemand had laten overblijven.

34

En van Lachis trok Jozua verder naar Eglon, en geheel Israël met hem; en zij legerden zich daartegen en streden daartegen;

35

En zij namen het op die dag in, en sloegen het met de scherpte des zwaards, en alle zielen die daarin waren vernietigde hij op die dag volkomen, overeenkomstig alles wat hij Lachis gedaan had.