Jozua 24:28
“Zo liet Jozua het volk gaan, een ieder naar zijn erfdeel.”
Kruisverwijzingen
Context
Jozua 24 — omringende verzen
Doet dan nu, zeide hij, de vreemde goden weg die in uw midden zijn, en neigt uw hart tot de HEER, de God van Israël.
24En het volk zeide tot Jozua: De HEER onze God zullen wij dienen, en Zijn stem zullen wij gehoorzamen.
25Zo maakte Jozua op die dag een verbond met het volk, en stelde hun een inzetting en een recht op te Sichem.
26En Jozua schreef deze woorden in het boek der wet Gods, en nam een grote steen, en richtte die daar op onder een eik, die bij het heiligdom van de HEER was.
27En Jozua zeide tot het gehele volk: Zie, deze steen zal een getuige voor ons zijn; want hij heeft al de woorden van de HEER gehoord die Hij tot ons gesproken heeft; hij zal dan een getuige voor u zijn, opdat gij uw God niet verloochent.
Zo liet Jozua het volk gaan, een ieder naar zijn erfdeel.
En het geschiedde na deze dingen, dat Jozua, de zoon van Nun, de knecht van de HEER, stierf, honderd en tien jaren oud.
30En zij begroeven hem op de grens van zijn erfdeel in Timnath-Sera, dat op het gebergte Efraïm ligt, aan de noordzijde van de berg Gaäs.
31En Israël diende de HEER al de dagen van Jozua, en al de dagen van de oudsten die Jozua overleefd hadden, en die al de werken van de HEER kenden die Hij voor Israël gedaan had.
32En de beenderen van Jozef, die de kinderen van Israël uit Egypte meegebracht hadden, begroeven zij te Sichem, op een stuk land dat Jakob gekocht had van de zonen van Hemor, de vader van Sichem, voor honderd geldstukken; en het werd de erfenis van de kinderen van Jozef.
33En Eleazar, de zoon van Aäron, stierf; en zij begroeven hem op de heuvel die aan zijn zoon Pinehas toebehoorde, die hem gegeven was op het gebergte Efraïm.