Terug naar Jozua 24
VSV
Statenvertaling

Jozua 24:27

En Jozua zeide tot het gehele volk: Zie, deze steen zal een getuige voor ons zijn; want hij heeft al de woorden van de HEER gehoord die Hij tot ons gesproken heeft; hij zal dan een getuige voor u zijn, opdat gij uw God niet verloochent.

Kruisverwijzingen

Context

Jozua 24 — omringende verzen

22

En Jozua zeide tot het volk: Gij zijt getuigen tegen uzelf, dat gij u de HEER gekozen hebt om Hem te dienen. En zij zeiden: Wij zijn getuigen.

23

Doet dan nu, zeide hij, de vreemde goden weg die in uw midden zijn, en neigt uw hart tot de HEER, de God van Israël.

24

En het volk zeide tot Jozua: De HEER onze God zullen wij dienen, en Zijn stem zullen wij gehoorzamen.

25

Zo maakte Jozua op die dag een verbond met het volk, en stelde hun een inzetting en een recht op te Sichem.

26

En Jozua schreef deze woorden in het boek der wet Gods, en nam een grote steen, en richtte die daar op onder een eik, die bij het heiligdom van de HEER was.

27

En Jozua zeide tot het gehele volk: Zie, deze steen zal een getuige voor ons zijn; want hij heeft al de woorden van de HEER gehoord die Hij tot ons gesproken heeft; hij zal dan een getuige voor u zijn, opdat gij uw God niet verloochent.

28

Zo liet Jozua het volk gaan, een ieder naar zijn erfdeel.

29

En het geschiedde na deze dingen, dat Jozua, de zoon van Nun, de knecht van de HEER, stierf, honderd en tien jaren oud.

30

En zij begroeven hem op de grens van zijn erfdeel in Timnath-Sera, dat op het gebergte Efraïm ligt, aan de noordzijde van de berg Gaäs.

31

En Israël diende de HEER al de dagen van Jozua, en al de dagen van de oudsten die Jozua overleefd hadden, en die al de werken van de HEER kenden die Hij voor Israël gedaan had.

32

En de beenderen van Jozef, die de kinderen van Israël uit Egypte meegebracht hadden, begroeven zij te Sichem, op een stuk land dat Jakob gekocht had van de zonen van Hemor, de vader van Sichem, voor honderd geldstukken; en het werd de erfenis van de kinderen van Jozef.