Lukas 20:24
“Toont Mij een penning. Wiens beeltenis en opschrift heeft hij? Zij antwoordden en zeiden: Van Caesar.”
Kruisverwijzingen
Context
Lukas 20 — omringende verzen
En de overpriesters en de schriftgeleerden zochten datzelfde uur Hem de handen te leggen, maar zij vreesden het volk; want zij begrepen dat Hij deze gelijkenis tegen hen gesproken had.
20En zij hielden Hem in het oog en zonden spionnen uit, die zich voor rechtvaardige mannen zouden voordoen, opdat zij Hem op een woord zouden kunnen vatten en Hem aan het gezag en de macht van de stadhouder overleveren.
21En zij vroegen Hem en zeiden: Meester, wij weten dat U juist spreekt en onderwijst, en dat U het aanzien des persoons niet aanneemt, maar de weg van God in waarheid leert:
22Is het ons geoorloofd belasting te geven aan Caesar, of niet?
23Maar Hij doorzag hun sluwheid en zei tegen hen: Waarom verzoekt u Mij?
Toont Mij een penning. Wiens beeltenis en opschrift heeft hij? Zij antwoordden en zeiden: Van Caesar.
En Hij zei tot hen: Geef dan aan Caesar wat van Caesar is, en aan God wat van God is.
26En zij konden Hem voor het volk op geen woord vatten; en zij verwonderden zich over Zijn antwoord en zwegen stil.
27Toen kwamen er bij Hem enigen van de Sadduceeën, die ontkennen dat er een opstanding is, en zij vroegen Hem:
28Meester, Mozes heeft ons geschreven: Indien iemands broeder sterft, die een vrouw had, en hij sterft kinderloos, dat zijn broeder dan zijn vrouw nemen en zijn broeder nageslacht verwekken moet.
29Er waren dan zeven broeders: en de eerste nam een vrouw en stierf kinderloos.