Mattheüs 19:20
“De jongeman zeide tot Hem: Dit alles heb ik onderhouden van mijn jeugd op; wat ontbreekt mij nog?”
Kruisverwijzingen
Context
Mattheüs 19 — omringende verzen
En Hij legde hun de handen op en vertrok van daar.
16En zie, één kwam tot Hem en zeide: Goede Meester, wat voor goeds moet ik doen, opdat ik het eeuwige leven hebbe?
17En Hij zeide tot hem: Waarom noemt gij Mij goed? Er is niemand goed dan één, namelijk God; maar indien gij in het leven wilt ingaan, onderhoud de geboden.
18Hij zeide tot Hem: Welke? En Jezus zeide: Gij zult niet doodslaan; gij zult geen overspel plegen; gij zult niet stelen; gij zult geen valse getuigenis geven;
19Eer uw vader en uw moeder; en: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.
De jongeman zeide tot Hem: Dit alles heb ik onderhouden van mijn jeugd op; wat ontbreekt mij nog?
Jezus zeide tot hem: Indien gij volmaakt wilt zijn, ga heen, verkoop wat gij hebt en geef het aan de armen, en gij zult een schat in de hemel hebben; en kom en volg Mij.
22Maar toen de jongeman dat woord hoorde, ging hij bedroefd heen; want hij had grote bezittingen.
23Toen zeide Jezus tot zijn discipelen: Voorwaar, Ik zeg u, dat een rijke moeilijk het Koninkrijk der hemelen zal binnengaan.
24En wederom zeg Ik u: het is gemakkelijker dat een kameel door het oog van een naald gaat, dan dat een rijke het Koninkrijk Gods binnengaat.
25Toen zijn discipelen dat hoorden, waren zij uitermate verbaasd en zeiden: Wie kan dan zalig worden?