Mattheüs 19:23
“Toen zeide Jezus tot zijn discipelen: Voorwaar, Ik zeg u, dat een rijke moeilijk het Koninkrijk der hemelen zal binnengaan.”
Kruisverwijzingen
Context
Mattheüs 19 — omringende verzen
Hij zeide tot Hem: Welke? En Jezus zeide: Gij zult niet doodslaan; gij zult geen overspel plegen; gij zult niet stelen; gij zult geen valse getuigenis geven;
19Eer uw vader en uw moeder; en: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.
20De jongeman zeide tot Hem: Dit alles heb ik onderhouden van mijn jeugd op; wat ontbreekt mij nog?
21Jezus zeide tot hem: Indien gij volmaakt wilt zijn, ga heen, verkoop wat gij hebt en geef het aan de armen, en gij zult een schat in de hemel hebben; en kom en volg Mij.
22Maar toen de jongeman dat woord hoorde, ging hij bedroefd heen; want hij had grote bezittingen.
Toen zeide Jezus tot zijn discipelen: Voorwaar, Ik zeg u, dat een rijke moeilijk het Koninkrijk der hemelen zal binnengaan.
En wederom zeg Ik u: het is gemakkelijker dat een kameel door het oog van een naald gaat, dan dat een rijke het Koninkrijk Gods binnengaat.
25Toen zijn discipelen dat hoorden, waren zij uitermate verbaasd en zeiden: Wie kan dan zalig worden?
26Maar Jezus zag hen aan en zeide tot hen: Bij mensen is dit onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk.
27Toen antwoordde Petrus en zeide tot Hem: Zie, wij hebben alles verlaten en U gevolgd; wat zal dan ons deel zijn?
28En Jezus zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat gij die Mij gevolgd zijt, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen zal zitten op de troon van zijn heerlijkheid, ook op twaalf tronen zult zitten en de twaalf stammen van Israël richten.