Mattheüs 26:51
“En zie, een van hen die bij Jezus waren, stak zijn hand uit, trok zijn zwaard en sloeg een dienaar van de hogepriester, en hieuw zijn oor af.”
Kruisverwijzingen
Context
Mattheüs 26 — omringende verzen
Staat op, laat ons gaan; zie, hij is nabij die Mij overlevert.
47En terwijl Hij nog sprak, zie, Judas, een van de twaalf, kwam, en met hem een grote menigte met zwaarden en stokken, van de overpriesters en oudsten des volks.
48Hij nu die Hem verraadde, had hun een teken gegeven, zeggende: Dien ik kussen zal, die is het; grijpt Hem vast.
49En terstond trad hij op Jezus toe en zei: Wees gegroet, Meester; en hij kuste Hem.
50En Jezus zei tot hem: Vriend, waartoe zijt gij hier? Toen kwamen zij naderbij, sloegen de handen aan Jezus en grepen Hem.
En zie, een van hen die bij Jezus waren, stak zijn hand uit, trok zijn zwaard en sloeg een dienaar van de hogepriester, en hieuw zijn oor af.
Toen zei Jezus tot hem: Steek uw zwaard weer op zijn plaats, want allen die het zwaard nemen, zullen door het zwaard omkomen.
53Denkt u dat Ik nu niet tot Mijn Vader kan bidden, en Hij zal Mij terstond meer dan twaalf legioenen engelen geven?
54Maar hoe zouden dan de Schriften vervuld worden, dat het zo moet geschieden?
55In datzelfde uur zei Jezus tot de menigten: Bent u uitgetrokken als tegen een rover, met zwaarden en stokken, om Mij te grijpen? Dagelijks zat Ik bij u in de tempel en leerde, en u heeft Mij niet gegrepen.
56Maar dit alles is geschied, opdat de Schriften der profeten vervuld zouden worden. Toen verlieten alle discipelen Hem en vluchtten.