Mattheüs 26:47
“En terwijl Hij nog sprak, zie, Judas, een van de twaalf, kwam, en met hem een grote menigte met zwaarden en stokken, van de overpriesters en oudsten des volks.”
Kruisverwijzingen
Context
Mattheüs 26 — omringende verzen
Hij ging wederom heen, voor de tweede maal, en bad, zeggende: O Mijn Vader, indien deze drinkbeker niet aan Mij voorbij kan gaan tenzij Ik hem drink, Uw wil geschiede.
43En Hij kwam en vond hen wederom slapende; want hun ogen waren zwaar.
44En Hij liet hen daar, ging wederom heen en bad voor de derde maal, dezelfde woorden sprekende.
45Toen kwam Hij tot Zijn discipelen en zei tot hen: Slaapt nu verder en rust; zie, de ure is nabij gekomen, en de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen der zondaren.
46Staat op, laat ons gaan; zie, hij is nabij die Mij overlevert.
En terwijl Hij nog sprak, zie, Judas, een van de twaalf, kwam, en met hem een grote menigte met zwaarden en stokken, van de overpriesters en oudsten des volks.
Hij nu die Hem verraadde, had hun een teken gegeven, zeggende: Dien ik kussen zal, die is het; grijpt Hem vast.
49En terstond trad hij op Jezus toe en zei: Wees gegroet, Meester; en hij kuste Hem.
50En Jezus zei tot hem: Vriend, waartoe zijt gij hier? Toen kwamen zij naderbij, sloegen de handen aan Jezus en grepen Hem.
51En zie, een van hen die bij Jezus waren, stak zijn hand uit, trok zijn zwaard en sloeg een dienaar van de hogepriester, en hieuw zijn oor af.
52Toen zei Jezus tot hem: Steek uw zwaard weer op zijn plaats, want allen die het zwaard nemen, zullen door het zwaard omkomen.