Nehemia 11:16
“En Sabbetaj en Jozabad, van de hoofden der Levieten, hadden het opzicht over de uitwendige werkzaamheden van het huis Gods.”
Kruisverwijzingen
Context
Nehemia 11 — omringende verzen
Seraja, de zoon van Hilkia, de zoon van Mesullam, de zoon van Zadok, de zoon van Merajot, de zoon van Ahitub, was de overste van het huis Gods.
12En hun broeders die het werk van het huis verrichtten, waren achthonderdtweeëntwintig; en Adaja, de zoon van Jeroham, de zoon van Pelalja, de zoon van Amzi, de zoon van Zacharia, de zoon van Pashur, de zoon van Malchia.
13En zijn broeders, hoofden der vaderen, tweehonderdtweeënveertig; en Amashaj, de zoon van Azareël, de zoon van Ahasaj, de zoon van Mesillomot, de zoon van Immer,
14En hun broeders, krachtige helden, honderdachtentwintig; en hun opziener was Zabdiël, de zoon van een der groten.
15Ook van de Levieten: Semaja, de zoon van Hassub, de zoon van Azrikam, de zoon van Hasabja, de zoon van Bunni;
En Sabbetaj en Jozabad, van de hoofden der Levieten, hadden het opzicht over de uitwendige werkzaamheden van het huis Gods.
En Mattanja, de zoon van Micha, de zoon van Zabdi, de zoon van Asaf, was de voornaamste om de lofzegging in het gebed aan te heffen; en Bakbukja was de tweede onder zijn broeders, en Abda, de zoon van Sammua, de zoon van Galal, de zoon van Jedutun.
18Alle Levieten in de heilige stad waren tweehonderdvierentachtig.
19Voorts de poortwachters: Akkub, Talmon en hun broeders die de wacht hielden bij de poorten, waren honderdtweeënzeventig.
20En het overschot van Israël, van de priesters en de Levieten, was in alle steden van Juda, ieder in zijn erfdeel.
21Maar de Netinimmen woonden in Ofel, en Siha en Gispa waren over de Netinimmen.