Nehemia 11:20
“En het overschot van Israël, van de priesters en de Levieten, was in alle steden van Juda, ieder in zijn erfdeel.”
Kruisverwijzingen
Context
Nehemia 11 — omringende verzen
Ook van de Levieten: Semaja, de zoon van Hassub, de zoon van Azrikam, de zoon van Hasabja, de zoon van Bunni;
16En Sabbetaj en Jozabad, van de hoofden der Levieten, hadden het opzicht over de uitwendige werkzaamheden van het huis Gods.
17En Mattanja, de zoon van Micha, de zoon van Zabdi, de zoon van Asaf, was de voornaamste om de lofzegging in het gebed aan te heffen; en Bakbukja was de tweede onder zijn broeders, en Abda, de zoon van Sammua, de zoon van Galal, de zoon van Jedutun.
18Alle Levieten in de heilige stad waren tweehonderdvierentachtig.
19Voorts de poortwachters: Akkub, Talmon en hun broeders die de wacht hielden bij de poorten, waren honderdtweeënzeventig.
En het overschot van Israël, van de priesters en de Levieten, was in alle steden van Juda, ieder in zijn erfdeel.
Maar de Netinimmen woonden in Ofel, en Siha en Gispa waren over de Netinimmen.
22En de opziener over de Levieten te Jeruzalem was Uzzi, de zoon van Bani, de zoon van Hasabja, de zoon van Mattanja, de zoon van Micha. Van de zonen van Asaf waren de zangers over de werkzaamheden van het huis Gods.
23Want het was des konings gebod aangaande hen, dat er een vast aandeel voor de zangers zou zijn, voor elke dag het nodige.
24En Petahja, de zoon van Mesezabeël, van de kinderen van Zerah, de zoon van Juda, was aan de hand des konings in alle aangelegenheden betreffende het volk.
25En wat de dorpen met hun akkers betreft, sommigen van de kinderen van Juda woonden te Kirjat-arba en in de bijbehorende dorpen, en te Dibon en in de bijbehorende dorpen, en te Jekabzeël en in de bijbehorende dorpen,