Nehemia 11:25
“En wat de dorpen met hun akkers betreft, sommigen van de kinderen van Juda woonden te Kirjat-arba en in de bijbehorende dorpen, en te Dibon en in de bijbehorende dorpen, en te Jekabzeël en in de bijbehorende dorpen,”
Kruisverwijzingen
Context
Nehemia 11 — omringende verzen
En het overschot van Israël, van de priesters en de Levieten, was in alle steden van Juda, ieder in zijn erfdeel.
21Maar de Netinimmen woonden in Ofel, en Siha en Gispa waren over de Netinimmen.
22En de opziener over de Levieten te Jeruzalem was Uzzi, de zoon van Bani, de zoon van Hasabja, de zoon van Mattanja, de zoon van Micha. Van de zonen van Asaf waren de zangers over de werkzaamheden van het huis Gods.
23Want het was des konings gebod aangaande hen, dat er een vast aandeel voor de zangers zou zijn, voor elke dag het nodige.
24En Petahja, de zoon van Mesezabeël, van de kinderen van Zerah, de zoon van Juda, was aan de hand des konings in alle aangelegenheden betreffende het volk.
En wat de dorpen met hun akkers betreft, sommigen van de kinderen van Juda woonden te Kirjat-arba en in de bijbehorende dorpen, en te Dibon en in de bijbehorende dorpen, en te Jekabzeël en in de bijbehorende dorpen,
En te Jesua, en te Molada, en te Bet-felet,
27En te Hazar-sual, en te Ber-seba en in de bijbehorende dorpen,
28En te Ziklag, en te Mekona en in de bijbehorende dorpen,
29En te En-rimmon, en te Zora, en te Jarmut,
30Zanoah, Adullam en in hun dorpen, te Lachis en de bijbehorende akkers, te Azeka en in de bijbehorende dorpen. En zij woonden van Ber-seba tot aan het dal van Hinnom.