Nehemia 11:18
“Alle Levieten in de heilige stad waren tweehonderdvierentachtig.”
Kruisverwijzingen
Context
Nehemia 11 — omringende verzen
En zijn broeders, hoofden der vaderen, tweehonderdtweeënveertig; en Amashaj, de zoon van Azareël, de zoon van Ahasaj, de zoon van Mesillomot, de zoon van Immer,
14En hun broeders, krachtige helden, honderdachtentwintig; en hun opziener was Zabdiël, de zoon van een der groten.
15Ook van de Levieten: Semaja, de zoon van Hassub, de zoon van Azrikam, de zoon van Hasabja, de zoon van Bunni;
16En Sabbetaj en Jozabad, van de hoofden der Levieten, hadden het opzicht over de uitwendige werkzaamheden van het huis Gods.
17En Mattanja, de zoon van Micha, de zoon van Zabdi, de zoon van Asaf, was de voornaamste om de lofzegging in het gebed aan te heffen; en Bakbukja was de tweede onder zijn broeders, en Abda, de zoon van Sammua, de zoon van Galal, de zoon van Jedutun.
Alle Levieten in de heilige stad waren tweehonderdvierentachtig.
Voorts de poortwachters: Akkub, Talmon en hun broeders die de wacht hielden bij de poorten, waren honderdtweeënzeventig.
20En het overschot van Israël, van de priesters en de Levieten, was in alle steden van Juda, ieder in zijn erfdeel.
21Maar de Netinimmen woonden in Ofel, en Siha en Gispa waren over de Netinimmen.
22En de opziener over de Levieten te Jeruzalem was Uzzi, de zoon van Bani, de zoon van Hasabja, de zoon van Mattanja, de zoon van Micha. Van de zonen van Asaf waren de zangers over de werkzaamheden van het huis Gods.
23Want het was des konings gebod aangaande hen, dat er een vast aandeel voor de zangers zou zijn, voor elke dag het nodige.