Terug naar Nehemia 11
VSV
Statenvertaling

Nehemia 11:17

En Mattanja, de zoon van Micha, de zoon van Zabdi, de zoon van Asaf, was de voornaamste om de lofzegging in het gebed aan te heffen; en Bakbukja was de tweede onder zijn broeders, en Abda, de zoon van Sammua, de zoon van Galal, de zoon van Jedutun.

Kruisverwijzingen

Context

Nehemia 11 — omringende verzen

12

En hun broeders die het werk van het huis verrichtten, waren achthonderdtweeëntwintig; en Adaja, de zoon van Jeroham, de zoon van Pelalja, de zoon van Amzi, de zoon van Zacharia, de zoon van Pashur, de zoon van Malchia.

13

En zijn broeders, hoofden der vaderen, tweehonderdtweeënveertig; en Amashaj, de zoon van Azareël, de zoon van Ahasaj, de zoon van Mesillomot, de zoon van Immer,

14

En hun broeders, krachtige helden, honderdachtentwintig; en hun opziener was Zabdiël, de zoon van een der groten.

15

Ook van de Levieten: Semaja, de zoon van Hassub, de zoon van Azrikam, de zoon van Hasabja, de zoon van Bunni;

16

En Sabbetaj en Jozabad, van de hoofden der Levieten, hadden het opzicht over de uitwendige werkzaamheden van het huis Gods.

17

En Mattanja, de zoon van Micha, de zoon van Zabdi, de zoon van Asaf, was de voornaamste om de lofzegging in het gebed aan te heffen; en Bakbukja was de tweede onder zijn broeders, en Abda, de zoon van Sammua, de zoon van Galal, de zoon van Jedutun.

18

Alle Levieten in de heilige stad waren tweehonderdvierentachtig.

19

Voorts de poortwachters: Akkub, Talmon en hun broeders die de wacht hielden bij de poorten, waren honderdtweeënzeventig.

20

En het overschot van Israël, van de priesters en de Levieten, was in alle steden van Juda, ieder in zijn erfdeel.

21

Maar de Netinimmen woonden in Ofel, en Siha en Gispa waren over de Netinimmen.

22

En de opziener over de Levieten te Jeruzalem was Uzzi, de zoon van Bani, de zoon van Hasabja, de zoon van Mattanja, de zoon van Micha. Van de zonen van Asaf waren de zangers over de werkzaamheden van het huis Gods.