Numeri 21:18
“De vorsten hebben de put gegraven, de edelen van het volk hebben hem uitgehold met de wetgever, met hun staven. En vanuit de woestijn trokken zij naar Mattána.”
Kruisverwijzingen
Context
Numeri 21 — omringende verzen
Van daar trokken zij verder en legerden zich aan de andere kant van de Arnon, die in de woestijn ligt en die uitkomt uit het gebied van de Amorieten. Want de Arnon is de grens van Moab, tussen Moab en de Amorieten.
14Daarom wordt er gezegd in het boek van de oorlogen van de HEER: Waheb in Sufa en de beken van de Arnon,
15en de helling van de beken die zich uitstrekt tot de woonplaats van Ar en leunt tegen de grens van Moab.
16En van daar trokken zij naar Beër. Dat is de put waarover de HEER tot Mozes gesproken heeft: Verzamel het volk en Ik zal hun water geven.
17Toen zong Israël dit lied: Spring op, o put! Zingt ervan!
De vorsten hebben de put gegraven, de edelen van het volk hebben hem uitgehold met de wetgever, met hun staven. En vanuit de woestijn trokken zij naar Mattána.
En van Mattána naar Naháliël, en van Naháliël naar Bamoth,
20en van Bamoth naar het dal dat in het veld van Moab ligt, bij de top van de Pisga, die uitziet over de wildernis.
21En Israël zond boden naar Sihon, de koning van de Amorieten, met deze boodschap:
22Laat mij door uw land trekken. Wij zullen niet afwijken naar de akkers of naar de wijngaarden, wij zullen geen water uit de waterputten drinken. Wij zullen over de koninklijke weg gaan, totdat wij door uw gebied getrokken zijn.
23Maar Sihon stond Israël niet toe door zijn gebied te trekken. En Sihon verzamelde al zijn volk en trok tegen Israël uit, de woestijn in. En hij kwam naar Jahaz en streed tegen Israël.