Psalmen 139:9
“Nam ik de vleugelen des dageraads, woonde ik aan het uiterste der zee,”
Kruisverwijzingen
Context
Psalmen 139 — omringende verzen
Want er is niet een woord op mijn tong, of zie, o HEER, Gij weet het altemaal.
5Gij hebt mij van achteren en van voren omsloten, en Gij hebt Uw hand op mij gelegd.
6Zulke kennis is mij te wonderbaar; zij is zo hoog dat ik er niet bij kan.
7Waarheen zou ik gaan voor Uw Geest, en waarheen zou ik vluchten voor Uw aangezicht?
8Indien ik opklim ten hemel, Gij zijt daar; en legde ik mijn rustplaats in het graf, zie, Gij zijt daar.
Nam ik de vleugelen des dageraads, woonde ik aan het uiterste der zee,
Ook daar zou Uw hand mij leiden, en Uw rechterhand zou mij vasthouden.
11Indien ik zeg: De duisternis zal mij zeker bedekken, dan is de nacht licht rondom mij.
12Ook verbergt de duisternis voor U niets, maar de nacht licht als de dag; de duisternis is als het licht.
13Want Gij bezit mijn nieren; Gij hebt mij bedekt in de schoot van mijn moeder.
14Ik zal U loven, omdat ik op een ontzagwekkende en wonderbare wijze gemaakt ben; wonderbaar zijn Uw werken, en dat weet mijn ziel zeer wel.