Richteren 11:17
“Zond Israël boden tot de koning van Edom met de boodschap: Laat mij toch door uw land doortrekken; maar de koning van Edom wilde daarnaar niet luisteren. Ook zonden zij tot de koning van Moab, maar hij wilde niet toestemmen; en Israël bleef in Kades.”
Kruisverwijzingen
Context
Richteren 11 — omringende verzen
En Jefta zond boden tot de koning der kinderen van Ammon met de boodschap: Wat hebt gij met mij te maken, dat gij tegen mij opgetrokken zijt om in mijn land te strijden?
13En de koning der kinderen van Ammon antwoordde de boden van Jefta: Omdat Israël mijn land heeft ingenomen, toen zij uit Egypte optrokken, van de Arnon tot aan de Jabbok en tot aan de Jordaan; geef mij dan die landen nu in vrede terug.
14En Jefta zond opnieuw boden tot de koning der kinderen van Ammon,
15En zei tot hem: Zo zegt Jefta: Israël heeft het land van Moab niet ingenomen, noch het land der kinderen van Ammon.
16Maar toen Israël uit Egypte optrok en door de woestijn ging naar de Schelfzee, en tot Kades kwam,
Zond Israël boden tot de koning van Edom met de boodschap: Laat mij toch door uw land doortrekken; maar de koning van Edom wilde daarnaar niet luisteren. Ook zonden zij tot de koning van Moab, maar hij wilde niet toestemmen; en Israël bleef in Kades.
Toen gingen zij door de woestijn en omtrokken het land van Edom en het land van Moab, en kwamen aan de oostzijde van het land Moab, en zij legerden zich aan de overzijde van de Arnon, maar kwamen niet binnen de grens van Moab; want de Arnon was de grens van Moab.
19En Israël zond boden tot Sihon, de koning der Amorieten, de koning van Hesbon; en Israël zei tot hem: Laat ons toch door uw land trekken naar mijn plaats.
20Maar Sihon vertrouwde Israël niet om door zijn gebied te trekken; en Sihon verzamelde al zijn volk en legerde zich bij Jahas en streed tegen Israël.
21En de HEER, de God van Israël, leverde Sihon en al zijn volk over in de hand van Israël, en zij sloegen hen; zodat Israël heel het land der Amorieten, de inwoners van dat land, in bezit nam.
22En zij namen alle gebieden der Amorieten in bezit, van de Arnon tot aan de Jabbok, en van de woestijn tot aan de Jordaan.