Richteren 11:19
“En Israël zond boden tot Sihon, de koning der Amorieten, de koning van Hesbon; en Israël zei tot hem: Laat ons toch door uw land trekken naar mijn plaats.”
Kruisverwijzingen
Context
Richteren 11 — omringende verzen
En Jefta zond opnieuw boden tot de koning der kinderen van Ammon,
15En zei tot hem: Zo zegt Jefta: Israël heeft het land van Moab niet ingenomen, noch het land der kinderen van Ammon.
16Maar toen Israël uit Egypte optrok en door de woestijn ging naar de Schelfzee, en tot Kades kwam,
17Zond Israël boden tot de koning van Edom met de boodschap: Laat mij toch door uw land doortrekken; maar de koning van Edom wilde daarnaar niet luisteren. Ook zonden zij tot de koning van Moab, maar hij wilde niet toestemmen; en Israël bleef in Kades.
18Toen gingen zij door de woestijn en omtrokken het land van Edom en het land van Moab, en kwamen aan de oostzijde van het land Moab, en zij legerden zich aan de overzijde van de Arnon, maar kwamen niet binnen de grens van Moab; want de Arnon was de grens van Moab.
En Israël zond boden tot Sihon, de koning der Amorieten, de koning van Hesbon; en Israël zei tot hem: Laat ons toch door uw land trekken naar mijn plaats.
Maar Sihon vertrouwde Israël niet om door zijn gebied te trekken; en Sihon verzamelde al zijn volk en legerde zich bij Jahas en streed tegen Israël.
21En de HEER, de God van Israël, leverde Sihon en al zijn volk over in de hand van Israël, en zij sloegen hen; zodat Israël heel het land der Amorieten, de inwoners van dat land, in bezit nam.
22En zij namen alle gebieden der Amorieten in bezit, van de Arnon tot aan de Jabbok, en van de woestijn tot aan de Jordaan.
23Zo heeft de HEER, de God van Israël, de Amorieten verdreven voor Zijn volk Israël; en zoudt gij dat in bezit nemen?
24Zult gij niet in bezit nemen wat Kemos, uw god, u te bezitten geeft? Zo zullen ook wij al degenen in bezit nemen die de HEER, onze God, voor ons verdrijft.