Romeinen 9:25
“Gelijk Hij ook in Hosea zegt: Ik zal hen Mijn volk noemen, die niet Mijn volk waren; en haar de geliefde, die niet de geliefde was.”
Kruisverwijzingen
Context
Romeinen 9 — omringende verzen
Maar wie bent u, o mens, dat u tegen God in repliek gaat? Zal het maaksel tot hem die het gemaakt heeft zeggen: Waarom hebt U mij zo gemaakt?
21Heeft de pottenbakker geen macht over het leem, om uit dezelfde klomp het ene vat te maken tot eer, en het andere tot oneer?
22Wat nu als God, willende Zijn toorn te tonen en Zijn kracht bekend te maken, met veel geduld de vaten des toorns verdragen heeft, die tot verderf toebereid zijn,
23opdat Hij de rijkdom van Zijn heerlijkheid bekend zou maken aan de vaten der barmhartigheid, die Hij tevoren tot heerlijkheid bereid heeft,
24namelijk ons, die Hij geroepen heeft, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen?
Gelijk Hij ook in Hosea zegt: Ik zal hen Mijn volk noemen, die niet Mijn volk waren; en haar de geliefde, die niet de geliefde was.
En het zal geschieden, dat op de plaats waar tot hen gezegd werd: Gij zijt Mijn volk niet; daar zullen zij kinderen van de levende God genoemd worden.
27Jesaja roept ook over Israël: Al was het getal der kinderen Israëls als het zand der zee, slechts een overblijfsel zal behouden worden.
28Want Hij zal het werk voltooien en het inkorten in gerechtigheid; want een ingekort werk zal de Heer op de aarde doen.
29En gelijk Jesaja tevoren gezegd heeft: Indien de Heer der heerscharen ons geen zaad had overgelaten, wij zouden als Sodom geworden zijn, en aan Gomorra gelijk gemaakt zijn.
30Wat zullen wij dan zeggen? Dat de heidenen, die de gerechtigheid niet najaagden, de gerechtigheid verkregen hebben, namelijk de gerechtigheid die uit het geloof is.