Jesaja 34
Nadert, gij naties, om te horen; en luistert, gij volken; laat de aarde horen en al wat daarin is; de wereld en al wat daaruit voortkomt.
Want de gramschap des HEREN is over alle naties, en zijn woede over al hun legers; Hij heeft hen volkomen verdelgd, Hij heeft hen overgeleverd ter slachting.
Hun gesneuvelden zullen ook worden weggeworpen, en hun stank zal opstijgen uit hun lijken, en de bergen zullen worden gesmolten van hun bloed.
En al het heer des hemels zal vergaan, en de hemelen zullen worden samengerold als een boekrol; en al hun heer zal neervallen, zoals het blad afvalt van de wijnstok, en zoals een afvallende vijg van de vijgenboom.
Want mijn zwaard zal in de hemel worden gewet; zie, het zal neerdalen op Edom, en op het volk van mijn ban, tot oordeel.
Het zwaard des HEREN is vol bloed, het is vet gemaakt met vet, en met het bloed van lammeren en bokken, met het vet van de nieren van rammen; want de HEER heeft een slachtoffer in Bozra, en een grote slachting in het land van Edom.
En de eenhoorns zullen met hen neervallen, en de jonge stieren met de stieren; en hun land zal worden gedrenkt met bloed, en hun stof zal vet worden van vet.
Want het is de dag van de wraak des HEREN, en het jaar van vergelding voor de twist van Sion.
En zijn stromen zullen worden veranderd in pek, en zijn stof in zwavel, en zijn land zal worden tot brandend pek.
Het zal dag noch nacht worden uitgeblust; zijn rook zal voor eeuwig opstijgen; van geslacht tot geslacht zal het woest liggen; niemand zal er ooit doorheen trekken.
Maar de pelikaan en de roerdomp zullen het bezitten; de uil en de raaf zullen erin wonen; en Hij zal over haar uitspannen het meetsnoer der verwarring, en de weegstenen der leegte.
Zij zullen haar edelen tot het koningschap roepen, maar niemand zal er zijn, en al haar vorsten zullen tot niets worden.
En doornen zullen opkomen in haar paleizen, netels en braamstruiken in haar vestingen; en het zal een woonplaats zijn van draken, en een hof voor uilen.
De wilde dieren van de woestijn zullen ook de wilde dieren van de eilanden ontmoeten, en de sater zal tot zijn makker roepen; ook zal de nachtuil daar rusten en voor zichzelf een rustplaats vinden.
Daar zal de grote uil haar nest maken, en leggen, en uitbroeden, en bijeenbrengen onder haar schaduw; daar zullen ook de gieren verzameld worden, een ieder met haar makker.
Zoekt uit het boek van de HEER, en leest: niet één van dezen zal ontbreken, geen zal zonder haar makker zijn; want mijn mond heeft het bevolen, en Zijn Geest heeft hen bijeengebracht.
En Hij heeft het lot voor hen geworpen, en Zijn hand heeft het hun toebedeeld door de meetlijn; zij zullen het voor eeuwig bezitten, van geslacht tot geslacht zullen zij daarin wonen.
17 verzen
Statenvertaling