Efeziërs 4:27
“En geeft de duivel geen plaats.”
Kruisverwijzingen
Context
Efeziërs 4 — omringende verzen
Dat gij, wat de vroegere wandel betreft, de oude mens aflegt, die te gronde gaat naar de begeerlijkheden der verleiding;
23En vernieuwd wordt in de geest van uw gemoed;
24En de nieuwe mens aandoet, die naar God geschapen is in ware gerechtigheid en heiligheid.
25Legt daarom de leugen af en spreekt de waarheid, een ieder met zijn naaste; want wij zijn leden van elkander.
26Zijt toornig, en zondigt niet; laat de zon niet ondergaan over uw toorn;
En geeft de duivel geen plaats.
Wie gestolen heeft, steal niet meer; maar laat hij veeleer arbeiden, met zijn handen het goede werkende, opdat hij iets hebbe om mede te delen aan hem die behoefte heeft.
29Geen verderfelijk woord kome uit uw mond, maar hetgeen goed is tot noodzakelijke opbouw, opdat het genade geve aan de hoorders.
30En bedroeft de heilige Geest van God niet, door Wie gij verzegeld zijt tot de dag der verlossing.
31Alle bitterheid, en toorn, en gramschap, en geroep, en lastertaal worden van u geweerd, met alle boosheid;
32En weest vriendelijk jegens elkander, barmhartig, elkander vergevende, gelijk ook God in Christus u vergeven heeft.